De val én reparatie van Jong Ajax: 'Twintigste staan kon in mijn tijd echt niet'
In dit artikel:
Een zucht van opluchting na een 0-1-zege op FC Dordrecht zegt meer over Jong Ajax dan over de tegenstander: winnen voelt momenteel als een bevrijding. Vrijdagavond, kort na tien in het M-Scores Stadion, vierden de spelers en staf onder leiding van interim-trainer Oscar García een overwinning die vooral voelde als herstelwerk — García’s tweede wedstrijd na een nederlaag tegen SC Cambuur en een zichtbaar strijdlustiger elftal dat duels aanging en tweede ballen opeiste. Toch verandert één zege de ranglijst niet wezenlijk: Jong Ajax bungelt nog altijd onderaan in de Keuken Kampioen Divisie.
De situatie is symptomatisch voor een groter probleem binnen de opleiding: waar vroeger winnen als vanzelfsprekend werd gezien, lijkt het nu een bijproduct van ontwikkeling. Technisch directeur Jordi Cruijff pakte daarom direct door met het ontslag van trainer Willem Weijs; volgens Cruijff ontbrak het aan urgentie, weerbaarheid en een winnaarsmentaliteit. Met García en drie andere Spaanse stafleden is de opdracht helder: niet alleen talenten vormen, maar ook eisen stellen en terugbrengen wat ooit vanzelfsprekend was — de drang om elke wedstrijd te winnen.
Ex-spelers die hun opleiding bij Ajax doorliepen — Léon Bergsma, Enric Llansana, Zian Flemming en Pelle Clement — tekenen een beeld van hoe die cultuur vroeger werkte en wat er volgens hen veranderd is. Allen benadrukken dat winnen en ontwikkelen hand in hand moeten gaan. Bergsma verwijst naar een stabiele lichting met spelers die karakter en continuïteit brachten en dat leidde zelfs tot een kampioenschap. Voor hem is het onacceptabel dat Jong Ajax onderaan staat; het schaadt de uitstraling van de gehele club en ondermijnt de voorbereiding op de druk in Ajax 1.
Llansana wijst op de leeftijdsverschillen: nu speelt Jong Ajax vaak met zestien- of zeventienjarigen, terwijl in zijn tijd spelers rond de twintig waren en meer weerbaarheid meekregen. Hij mist fysieke en mentale types die anderen aanspreken en zegt dat de snelle doorstroom naar het eerste elftal het gevaar met zich meebrengt dat talenten denken dat ze er al zijn. Flemming legt uit dat er tijdens bestuurlijke onrust een verschuiving kwam naar nadruk op ontwikkeling in plaats van resultaat — iets dat hem en een deel van zijn generatie moeilijk kon accepteren. Hij benadrukt dat echt leren omgaan met druk en consequenties, zoals degradatiestrijd bij andere clubs, niet volledig te simuleren is binnen een opleidingsomgeving.
Clement plaatst een nuance: in zijn periode droegen toptalenten zoals Frenkie de Jong en Matthijs de Ligt sterk bij aan het winnen; kwaliteit leidde tot resultaten. Hij waarschuwt dat de huidige generatie voor grotere uitdagingen staat in de overgang naar het betaald voetbal en dat er veel mogelijke verklaringen kunnen zijn voor de sportieve malaise, niet alleen een gebrek aan mentaliteit.
Een structureel knelpunt is de wisselende samenstelling van Jong Ajax. Spelers worden opgehaald voor Ajax 1, inzetten in andere competities of juist ingezet om wedstrijdritme op te doen na blessures. Hierdoor is het lastig een hechte, stabiele teamcultuur op te bouwen. Daarbij komt dat Jong-teams in de Keuken Kampioen Divisie geen echte degradatiedreiging kennen, waardoor verliezen minder directe consequenties hebben — een factor die de urgentie kan verminderen.
De recente zege in Dordrecht is volgens betrokkenen meer symbolisch dan oplossend: het toont dat het weer kan, maar biedt geen garantie dat de cultuur verandert. De oud-spelers pleiten voor een opleidingsklimaat waarin vanaf jonge leeftijd professioneel gedrag en de plicht om te winnen worden ingesleten, gecombineerd met fysieke en mentale vorming zodat talenten niet alleen technisch maar ook hardend genoeg zijn voor het seniorenvoetbal. Voor Jong Ajax blijft de uitdaging tweeledig: blijven opleiden én structureel leren presteren, ondanks personele wisselingen en de bijzondere positie binnen de competitie.